Een valse start

Onze wereldreis start op 15 mei 2000 op de plek waar de voorbereidingen geeindigd zijn: het Waalse gehucht Visé, vlak bij de Nederlandse grens.

Onze rugzakken zijn zwaar beladen. Ik schat in dat ik ongeveer 5 liter water bij me heb, voor drie of vier dagen eten, voor een week kleren, en natuurlijk voldoende boeken en reserveschoenen. Het past allemaal in mijn rugzak. Dus waarom zou ik het niet meenemen?

Volgens de wandelgids is er na ongeveer 15 km lopen een kleine camping. Een mooie afstand voor een eerste dag. Maar helaas, de plaatselijke bevolking weet van geen camping: is er niet, is er nooit geweest, komt ook niet.

Balen, ik ben moe, de rugzak knelt en trekt en ik wil rust. We lopen nog ongeveer 1,5 uur door. Maar nergens een hotel, camping of andere overnachtingsmogelijkheid. Voor het eerst in mijn leven gaan we wildkamperen. In Belgie is dat verboden. Dus pas als het gaat schemeren lopen we in een bos naar een veldje, waar een klein riviertje doorheen loopt. Klinkt idyllisch, is het niet. Het terrein is modderig, stikt van de muggen en stinkt. Pieter kookt, nadat de tent staat, één van de maaltijden die we bij ons hebben. Expeditiepasta met chocolademousse, aangeschaft bij een dure buitensportwinkel, heel gezond, maar niet lekker. We gaan vroeg slapen, en zijn de volgende morgen nog vroeger wakker. Snel de tent afbreken voordat we gezien worden.

Ik ben gebroken. Pieter zegt niets. Bij de eerste bushalte die we tegenkomen vraagt hij of ik even wil pauzeren. Op het haltebordje zie ik dat de bus naar Vise gaat. Nog geen 15 minuten later zitten we in de bus terug naar Visé.

Ik wil warmte, comfort en rust. We pakken in Visé de trein. En stappen pas uit in Zuid Frankrijk. In Avignon en Arles genieten we van het weer, de stad, de rust en elkaar.

Uiteindelijk begint op 1 juni 2000, na een lekkere vakantie, onze echte tocht naar Santiago: startpunt Le Puy en Velay.

Begin september 2000 lopen we, 1600 km later, Santiago de Compostella binnen. Onze rugzak is dan vele kilo's lichter, we laten onderweg een hoop ballast achter.

Proost

Le Puy en Velay, 1 juni 2000

De camping ligt net buiten het liefelijke dorpje Le Puy en Velay. Een vlak terrein, een paar bomen en struiken, kampeerplaatsen aan weerskanten van een asfaltweg. Het is er niet druk. Een paar campers, een gezin met een De Waard-tent en een miniscuul trekkerstentje: ons huisje voor de komende maanden.

Op de dag van aankomst, nadat we ons plekje op de camping hebben ingericht, bezoeken we Le Puy. Het belangrijkste doel is de kathedraal: de plek waar we een pelgrimspaspoort zouden kunnen kopen. Deze hebben we nodig om toegang te krijgen tot de overnachtingsplekken op de Camino. 

In de kathedraal van Le Puy horen we van een niet al te behulpzame priester, dat ze geen credencials aan ons geven. Daar kunnen ze echt niet meer aan beginnen. Wat nu? Even later stellen we  een vrouw in de souvenirshop van de kathedraal dezelfde vraag. Zij bevestigd het antwoord van de priester. Maar, zo informeert ze ons, als we deelnemen aan de vroege pelgrimsmis, om 7.00 uur in de morgen, kan er wel iets geregeld worden.

Die avond maken we ons al vroeg klaar om te gaan slapen. Op weg naar het toiletgebouw vraagt onze buurvrouw die samen met haar man in een erg gezellig, miniscuul campertje kampeert, of we op weg gaan naar Santiago.  Speciaal voor mensen als wij hebben zij flessen wijn meegenomen. Wij komen toch zeker wel even binnen? 

Dat is het begin van een gezellige avond. Met ons proosten ze, terwijl we met vier personen bijna boven op elkaar gestapeld zitten in hun camper, diverse malen op een goede camino. Zij vertellen vele verhalen over hun eigen Camino, in het Frans. Pieter en ik lachen vriendelijk, proosten in alle talen en genieten van deze warme mensen.

Als de volgende morgen, na een veel te late avond, de wekker om 4.30 uur afgaat is het nog volledig donker. De adrenaline stroomt door onze aderen. We voelen geen moeheid. Bijna geluidloos pakken we alles in onze nog steeds veel te volle rugzakken. Het past net (niet). Met volle bepakking zetten we koers naar de op een steile berg gelegen kathedraal. Precies op tijd zetten we onze rugzakken hijgend neer bij een pilaar. Er staan nog ongeveer 8 andere rugezakken. De bijbehorende pelgrims zitten vooraan in de kerk. En ook ons wordt gevraagd op de voorste rij te gaan zitten.

Dezelfde priester die gister nog zo chagerijnig op ons reageerde, leidt de mis. Na afloop is hij oprecht geinteresseerd in de doelen van elke pelgrim. Als wij vertellen dat we, als enigen die morgen, naar Santiago willen lopen, kijken de andere lopers vol respect naar ons. De priester kijkt meewarig: niet Santiago is het doel, het doel is de weg.

We ontvangen na afloop van de mis een muntje met daarop een beeltenis van Ste. Foy, de vrouwe die ons tijdens onze tocht zal beschermen. Ook mogen we een briefje met handgeschreven tekst meenemen. Het is de bedoeling dat we deze persoonlijke wens van iemand uit de regio, naar Santiago brengen en daar in de kathedraal achterlaten. En gelukkig, minstens zo belangrijk, we ontvangen gratis allebei een eigen Credencial met daarop een foto van de kathedraal en een tekst van de priester waarin hij vraagt om ons gastvrij te ontvangen.

Be-proost, gezegend en met credencial: we kunnen eindelijk op weg. Op weg naar Santiago.

De Belgen

Half juni 2000, Conques

De route vanaf Le Puy is tot op heden fantastisch mooi. De geuren van de brem, de stromende beekjes, de verstilling van de hoogvlakte van de Aumont Aubrac. Het afzien tijdens de pittige klimmetjes, het tikken van de wandelstokken, het zingen van de vogels. Alles maakt indruk. De geuren, geluiden en beelden zetten zich vast als waardevolle herinneringen.

Vandaag komen we aan in het zonnige Conques. Voor veel lopers die we tot op heden ontmoet hebben, het eindpunt van hun tocht. 

De gite van Conques is gevestigd direct naast de grote kathedraal. Honderden stapelbedden op grote slaapzalen. Op de meeste bedden ligt een pelgrim te rusten, met aan het voeteneind de rugzak en op het bed een dagboekje met pen.

Na het douchen gaan we naar het terras tegenover de kathedraal. Daar hebben we afgesproken met De Belgen. De Belgen zijn twee mannen van rond de 40 jaar. Zij lopen samen jaarlijks een meerdaagse wandeltocht tijdens de pinksterperiode. 

De Belgen zijn op dezelfde dag in Le Puy gestart als wij. De Belgen waren dit jaar net zo ongetraind als wij. De Belgen moesten steeds lachen als ze ons inhaalden tijdens een uithijg-rookpauze. Wij moesten steeds om De Belgen lachen als ze de berg niet opkwamen. Samen met De Belgen hebben we na aankomst op de bestemming, menig drankje gedronken. De Belgen zijn  onze maatjes geworden op deze tocht.

Vandaag nemen we afscheid van de Belgen en met hen van onze eerste fase van onze pelgrimstocht. We proosten met Belgische biertjes, en halen herinneringen op. Wat is er veel gebeurd. Wat hebben we veel gelachen met en om elkaar.

En wat zullen wij onze maatjes missen!

Onneembare muur

Juni 2000, net buiten Cahors.

We hebben overnacht in de grote toeristenplaats Cahors. Die ochtend verlaten we de stad over de prachtige historische brug. Direct daarna steken we de verkeersweg over en komen bij een bergwand. De rood-witte vlaggetjes die we al vanaf Le Puy volgen zijn vanaf hier niet meer vindbaar. Rechtdoor de bergwand op is onmogelijk.

We gaan op zoek naar de route. Na wat heen en weer lopen komen we tot de conclusie dat de bergwand de enige goede route moet zijn. Nou ja goed? Ik kijk naar boven, en zie ongeveer 30 meter hoger een smalle richel dat door zou kunnen gaan voor een pad. Maar hoe kom je daar?

Pieter doet zijn rugzak af en probeert omhoog te gaan door gebruik te maken van de kleine haakjes die er zijn. Dan ziet hij een stukje verderop een stalen bergladder. 'We zijn goed!' roept hij. Hij komt beneden en haalt zijn rugzak en gaat weer omhoog. 'Kom nou maar', roept hij.

'Nee dit kan ik niet! Ik ga terug. We lopen wel om.' zeg ik. Dan komt er een klimmer naar beneden. Ook Pieter daalt weer af. Uiteindelijk draagt de behulpzame klimmer mijn rugzak naar boven. Pieter duwt mij omhoog en de klimmer trekt mij omhoog. 

Boven aan gekomen concludeer ik dat dit niet leuk meer is. 'Dit is de laatste keer dat ik zoiets doe' zeg ik tegen Pieter. Maar die hoort mij niet. Hij loopt alweer in gezwinde pas een flink stuk verderop. 

Bloed op de camping

Nogaro, juli 2000

Ongeveer 1x per week nemen we een dag pauze. We kiezen een leuk dorpje of een leuke overnachtingsplek en verblijven daar dan 2 nachten. Deze keer hebben we een camping gekozen, vlakbij een dorpje en in een rustige omgeving. De camping ligt niet heel mooi (naast een racecircuit) maar is wel heel netjes en rustig. Een prima plekje om even bij te komen. 

Op de rustdagen hoeven we niet vroeg op te staan. Omdat het niet heel warm is, lukt het me om flink door te slapen. Rond 900 uur rits ik de tent open. Tot onze verrassing staat de camping vol met caravans en campers. Waar zijn die ineens vandaan gekomen? Gisteravond was de camping toch nog vrijwel leeg?

In de doucheruimte schrik ik. Diverse wastafels zitten onder het bloed. De grond ligt bezwaait met veren! In een hoek liggen twee koppen van kippen. Hier heeft vannacht een slachtpartij plaatsgevonden! 

Terug bij de tent is er de volgende verrassing. In de tent zitten twee mini-pitbulls. En deze mini-pitbulls, die eruit zien als grote cavia's met hele scherpe tandjes, buitelen over elkaar heen. Ze willen er niet meer uit. De eigenaren van de hondjes en de voormalige kippen hebben de grootste lol, en doen geen moeite om de hondjes te verwijderen. En de eigenaren zijn niet de types die makkelijk aanspreekbaar lijken: grote hells angels-achtige mannen met felle vrouwen en veel en actieve kinderen. 

Het is hier gedaan met de rust. Het is gedaan met de rust op deze plek. Ongepland en gehaast pakken we onze spullen in. Het voelt niet veilig om hier met ons hele boeltje in ons kleine tentje nog langer te blijven staan. De camping is overgenomen door een groep mensen waar we niet bij willen blijven staan.

Als we ons afmelden bij de receptie van de camping, krijgen we uitleg. In Frankrijk trekken diverse groepen zigeuners rond die steeds hun kamp opslaan bij of op een camping en daar dan een paar dagen verblijven en de boel onveilig maken. Na een paar dagen, voordat er ingegrepen wordt, verdwijnen ze weer naar de volgende plek. 

Daar wachten wij niet op. Onze rustdag verandert in een wandeldag: snel door naar een volgende plek.

Mijn haar moet geverfd worden

Frankrijk, 5 weken na de start..

Het nieuwe, vrije leven, heeft zonder dat we het merkten een vast ritme gekregen. Het ritme van een langeafstandswandelaar in het voorjaar.

6.30 uur: opstaan, rugzak inpakken en licht ontbijt.

7.00 uur: Start met lopen. Slaap nog in de ogen, op zoek naar routeaanwijzingen.

8.30 uur: Pauze, liefst met koffie en vers brood, vaak met water en crackers.

9.00 uur: Lopen, pauze, lopen, toenemende warmte, lunch, lopen, hitte.

16.00 uur: Bed is gekozen, stempel is gezet, slaapzak ligt te luchten.

18.00 uur: Diner, vaak zelfgekookt, soms samen met anderen.

22.00 uur: Licht uit en slapen. 

De ontmoetingen met andere lopers, het landschap en de vraag of we een barretje en/of bakker tegen komen, brengen variatie in de dagen.

Na iets meer dan een maand lopen ontstaat sleur. Een voorpelbare sleur. Een sleur met vele kenmerken van saaiheid.

Na weer een gewone dag, dit keer door eindeloze graanvelden,  ben ik er klaar mee. Op ons slaapmatje in de sportkantine, doe ik de medeling: 'Ik stop ermee!'.

Pieter is niet verrast. Dit had hij zien aankomen. En hij heeft plan B al klaar. 'We nemen een pauze van een paar dagen of een week in Lourdes. Daarna mag je beslissen of je echt stopt' zegt hij.

Ik kijk mijn ogen uit in Lourdes: duzenden zieke mensen die de grot van Bernadette bezoeken. Tientallen kerken. een heuse kruisweg, kilometers met toeristenprullaria. Een heerlijk hotel, lopen zonder rugzak, nieuwe boeken lezen, elke dag uitslapen en lekker mijn haar verven. Ik geniet met volle teugen. Na 4 dagen ben ik er weer. Ik wil weer lopen. ik mis de inspanning.

We pakken de bus terug en hervatten de pelgrimsroute. Dit keer met roodgetinte haren, passend bij mijn roodgetinte huid.

Pelgrimsmaaltijd

14 juli 2000, GR 65 Miramont-Sensacq

Elke draad aan ons lijf is nat als we bij de kleine gite communal aankomen. De gite ligt in een dorpje bestaande uit ongeveer 10 huizen en een kerk. Er is een heel klein keukentje met een tafel, met aangrenzend een open slaapruimte met 3 stapelbedden.

André, de Rotterdammer die we al een aantal keer zijn tegen gekomen is er al. Twee andere bedden zijn bezet door een jong Frans stel. Een Duitser ligt te slapen.

Wij kiezen het achterste stapelbed. Onze kleren hangen we aan de bedrand en aan een draad die door de keuken is gespannen te drogen. Onze schoenen zetten we bij de kachel.

De ruimte is vanwege de vele regen die de laatste dagen is gevallen, zeer vochtig. De kalk van de muren blijft aan de tegen de muren geplaatste rugzakken plakken. Liggend in mijn slaapzak word ik langzamerhand warmer.

Rond 18.00 uur pakt Pieter een zak pasta, een paar uien, een courgette, knoflook en kaas uit de rugzakken. Genoeg voor een maaltijd voor twee. De andere pelgrims zijn op zoek naar een winkel of café in een naburig dorpje.

Als wij net aan tafel zitten, komen deze pelgrims terug. Met lege handen. Het is 14 juli, de nationale feestdag van Frankrijk. Alle winkels zijn gesloten. Het café is dicht. Geen eten te vinden. Wat een feest..

Pieter pakt nog een pak pasta uit zijn rugzak. Als deze gekookt is, verdelen we al ons eten. Net op dat moment komt een oude fransman de gite binnen. Hij heeft 4 stokbroden en 2 flessen rode wijn in zijn handen. 'Pour vous, les pelerins', zegt hij. En weg is hij weer.

Met zes personen eten we in de door het koken nog vochtiger geworden ruimte. Ergens uit een rugzak komt nog een Franse kaas. We leren elkaar tijdens de maaltijd een beetje kennen. We spreken Nederlands, Engels, Duits en Frans door elkaar heen. En waar woorden te kort schieten, gebruiken we handen en voeten. Een heerlijke maaltijd, een echte Franse feestdag om nooit meer te vergeten.

Voeten in de modder

15 juli 2000. Van Miramont -Sensacq naar Arzacq-Arraziguet (16,5 km)

Zes weken zijn we nu onderweg. We zijn gewend aan het lopen met een rugzak, het slapen op slaapzalen en aan het leven van lange-afstandswandelaars. Ook zijn we gewend geraakt aan het weer: vrijwel elke dag volop zon, lichte wind, ongeveer 20 tot 25 graden Celcius.

Maar vandaag niet. De regen komt met bakken uit de hemel. Al bij ons vertrek beschermen we onze rugzakken door een rugzakhoes. Daaroverheen gaat de regencape die zowel onszelf als onze rugzakken moet beschermen tegen de regen. Vol vertrouwen op verbetering gaan we op pad. Het zal vanzelf weer droog worden, toch....?

Na een uur zijn we al doorweekt. Vanaf onze cape stroomt het water naar beneden: op onze blote benen, naar onze sokken en vervolgens steeds dieper onze schoenen in. Mijn gezicht is drijfnat en koud. Het kost moeite om scherp te blijven kijken. Maar, verderop wordt de lucht al lichter. Als de regen eenmaal gestopt is, droogt dit snel genoeg weer op. Toch?

De lucht wordt niet lichter. De regen stopt niet. Integendeel. Het gaat harder en harder regenen en ook de wind trekt aan. De wegen en bospaden zijn uitgestorven. Af en toe horen we een blaffende hond. Oh nee, niet ook nog een hond!

In mijn schoenen staat ongeveer 3 centimeter water. Mijn sokken zijn doorweekt. Elke stap lijkt zwaarder dan de vorige.

Als we er naar mijn gevoel bijna moeten zijn, en na een fikse klim, ontspan ik. Vanaf nu alleen nog maar afdalen en vrijwel geen open terrein meer.

Pieter loopt op de eerste afdaling ongeveer 20 meter voorop. Ik kan hem door de regen nauwelijks meer zien. Het pad ligt vol modder en diepe plassen. Het is een sport om de diepste delen links (of rechts) te laten liggen. En dat lukt steeds, constateer ik trots.

Mijn constatering is te vroeg. Een seconde later maak ik een verkeerde keuze en stap ik in een modderplas van ongeveer 30 cm diep. Ik glij uit en val achterover in de modderpoel. Mijn rugzak ligt in de modder. Ik zit aan de rugzak vast, en probeer met rugzak en al weer op te staan. Helaas dit lukt niet. Wederom rol ik achterover. Nu is ook mijn rechterarm volledig in de modder gekomen. Na nog een aantal pogingen roep ik Pieter. Die hoort door de regen helemaal niets. Pas als hij omkijkt en ziet dat ik er niet ben, loopt hij terug. 'Waarom lig je daar'?', vraagt hij. '' Omdat ik niet kan (op)staan'.

Hij trekt me overeind. ik haal de ergste modder eraf door bladeren van de bomen te gebruiken. Veel resultaat heeft het niet. We moeten verder. Inmiddels zit ik dus onder de modder, ben ik doorweekt en zijn zelfs mijn sigaretten niet meer bruikbaar. Pas na een uur zwoegen, balen en afkicken komen we aan bij de gite détappe. Ik heb inmiddels geen idee meer waarom het leuk is of zou moeten zijn om zo'n roteind te wandelen.

En natuurlijk: de gite heeft geen plek meer. Veel wandelaars zijn hier een extra dag gebleven, waardoor alle bedden al vol zijn. Of willen we misschien in de keuken op de grond slapen?

Die avond hangen al mijn kleren boven het gasfornuis in de kleine keuken van de gite te drogen. In mijn schoenen doe ik elk uur een paar verse, droge krantenproppen. En zelf heb ik schone en vrijwel droge kleren aan.

Maar wat ben ik trots: ook dit hebben we gewoon gedaan. En de andere gasten in de gite luisteren vol interesse naar onze verhalen. Ze zijn onder de indruk, maar vooral ook blij dat zij de verstandige beslissing hebben genomen deze dag niet te gaan lopen.

Het grootste verschil tussen Frankrijk en Spanje

Juni-juli 2000, het Franse platteland

Op het Franse platteland loopt/ligt bij elke boerderij minimaal 1 hond. De Fransen hebben deze hond(en) niet uit liefde voor het dier. Vooral de liefde voor de eigendommen is reden voor de aanschaf van een of meerdere viervoeters. Het lieve hondje heeft op het terrein de beschikking over een eigen huishok, meestal niet meer dan een paar oude planken met een golfplaten dakje. Soms zit Brutus aan een dikke ketting, maar vaak mag Brutus vrij rond lopen. Hoe Brutus eruit ziet? Nou meestal groot, onverzorgd, hongerig en agressief.

Al ver voordat we een boerderij naderen horen we vaak enorm geblaf. Mijn adrenaline-niveau stijgt op zo'n moment direct tot het plafond. Maar ook als we bij het naderen van een boerderij geen geblaf horen, neemt mijn adrenaline-niveau toe: daar zal wel een hond zitten die stilletjes op zijn prooi wacht, mijn malse kuiten.

Al na een paar dagen ontwikkelen Pieter en ik onze eigen hondenstrategie. Die gaat als volgt.

Totdat wij bij de boerderij zijn loopt Pieter voorop met de leiki-wandelstok in de aanslag. Mocht er een loslopende hond op ons afkomen dan kan hij direct in de ogen (of op een andere pijnlijke plek) prikken. Tijdens het passeren van de boerderij loop ik trillend naast Pieter, waarbij Pieter de wandelstok gericht blijft houden in de richting van waar we de hond vermoedden. En na het passeren van de boerderij loop ik voorop. Pas als ik zeker weet dat de hond ons niet meer zal achtervolgen, kan ik weer normaal ademhalen en mag Pieter weer naast of voor me lopen. 

Deze strategie heeft gewerkt. We zijn niet gebeten of anderszins lichamelijk beschadigd door Brutus. Slechts 2 maal hebben we Brutus de ruimte gegeven door de route even links te laten liggen en een extra ommetje te maken. Psychisch ben ik wel beschadigd: sinds deze wandeling begin ik al te trillen als ik een Franse boerderij zie.

En wat het grootste verschil is tussen Frankrijk en Spanje? In Spanje hebben wij geen enkele loslopende Brutus ontmoet. Alle, vaak graatmagere, Spaanse waakhonden zittten vast aan een ketting.

Misschien is dit wel de reden dat we in 2013 alleen het Spaanse deel van de Camino gaan lopen.